Bliksembeveiliging - Transiënt B.V.

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu

Bliksembeveiliging

Activiteiten

Alvorens een besluit te nemen om voor een bepaald object al dan niet tot bliksembeveiliging over te gaan, moet de mate van noodzakelijkheid van bliksembeveiliging voor dat object worden bepaald.
Dit kan gedaan worden door een risico analyse toe te passen. Deze risicoanalyse geeft in een objectieve benadering weer of een bliksembeveiliging al dan niet noodzakelijk is.
Maar er zijn ook objecten waarvoor de noodzakelijkheid evident is, zoals objecten met explosiegevaarlijke of brandgevaarlijke stoffen.
Naast diverse weegfactoren bij het bepalen van de kans op schade ten gevolge van bliksem op de gebouwconstructie en het nuttig gebruik (opstal inboedel), zijn er ook nog andere aspecten van betekenis, zoals gevoelswaarde, gevolgschade en vervangbaarheid.

Indien voor een bepaald object is vastgesteld dat bliksembeveiliging noodzakelijk is, moet de mate van de beveiliging die de uitwendige en de inwendige installatie of een combinatie daarvan in een bepaalde beschermingsklasse worden uitgevoerd.
Er wordt onderscheid in de norm gemaakt tussen vier klasse van bliksembeveiligings-installaties.
Deze klasse indeling sluit aan op verschillende uitvoeringsvormen en wel LPL 1 t/m LPL 4.
De indeling is zodanig dat een lager getal met een grotere mate van beveiliging overeenkomt. ( vastgelegd in de IEC 62305 )



Uitwendige Bliksemafleiderinstallatie

Deze Bestaat uit:  Opvanginrichtingen, Afgaandeleidingen en een Aardingsysteem

Een uitwendige Bliksemafleiderinstallatie dient om blikseminslagen op te vangen, dit om schade aan het omhullend geheel (object) te voorkomen.

Opvanginrichtingen moeten zo zijn aangebracht dat zij in staat zijn zoveel mogelijk blikseminslagen te kunnen opvangen zonder dat daarbij de te beveiligen delen worden getroffen.
Op plaatsen met een grote trefkans bij onweer moeten daarom opvanginrichtingen zijn aangebracht die via afgaande leidingen met een aardingsysteem zijn verbonden.

Metalen delen (zoals waterleiding, gasleiding etc.) en actief geleidende delen (zoals bv. elektrische voorzieningen) dienen potentiaalvereffend te worden.
Bij potentiaalvereffening worden bij bliksemafleiderinstallaties verbindingen met metalen en met elektrische installatie tot stand gebracht door middel van leidingen of door middel van overspanningbeveiliging.

Concreet betekent dit meestal dat er leidingen aan de buitenzijde langs omtrekken van daken en langs buitenhoeken van het object moeten zijn aangebracht. Deel 3 van de norm NEN-EN-IEC 62305 geeft de keuze uit diverse opvanginrichtingen:

- opvangstaven of masten;
- vrijstaande geïsoleerde opvanginstallatie;
- daknet met vermazing;
- of een combinatie.

Bovenstaande speelt een belangrijke rol in het ontwerp traject.

Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu